Alle berichten van slachtofferscom

Uitnodiging i.v.m. Gedenkwandeling langs Pad van Verzoening

Het Comité/de Commissie Slachtoffers en Nabestaanden van Politiek Geweld zal wederom een gedenkwandeling maken van het Monument van gesneuvelde militairen en omgekomen burgers tijdens de Binnenlandse Oorlog naar het Fort Zeelandia (Pad van Verzoening).

Datum : Zaterdag 07 december a.s.

Start    : Het Monument van gesneuvelde militairen en omgekomen burgers tijdens de Binnenlandse Oorlog

Finish : Het Fort Zeelandia

Tijd     : 16.00u (4 uur) ’s middags

Inloop : 15.30u (half 4) ‘s middags

U wordt in verband met het bovenstaande van harte uitgenodigd door het comité/de commissie Slachtoffers en Nabestaanden van Politiek Geweld om deze activiteit bij te wonen.

Ook wordt u in de gelegenheid gesteld om een krans/bloemstuk te leggen ter nagedachtenis van Slachtoffers en Nabestaanden van Politiek Geweld in Suriname.

Uw aanwezigheid stellen wij zeer op prijs.

Hoogachtend,

Humphry W. Jeroe

Voorzitter

Comité/Commissie Slachtoffers en Nabestaanden van Politiek Geweld

Gerechtigheid en vrede

Naar aanleiding van de recente ontwikkelingen inzake het 8 Decemberproces legt het Comité Slachtoffers en Nabestaanden van Politiek Geweld de volgende verklaring af.

Sinds 1980 is Suriname terechtgekomen in een historische fase waarin sociale strijd met geweld werd uitgevochten. Die strijd heeft tussen 1980 en 1992 geleid to 450 doden, waarvan 15 op 8 December 1982. De meeste doden vielen tijdens de Binnenlandse Oorlog (1986-1992). Daarbij zijn van beide zijden wrede misdaden begaan waaronder executies, onthoofding, doodkappen van een jongeman in klein stukken. Naast de 450 doden zijn er talloze gewonden en nabestaanden die met trauma’s door het leven moeten gaan. Voor de nabestaanden van politiek geweld maakt het niet uit hoe hun geliefden om het leven zijn gekomen. De pijn en het verdriet schreeuwt om gerechtigheid. Nabestaanden van de 8 Decembermoorden en de slachtpartij bij Moiwana hebben getracht via gerechtelijke procedures gerechtigheid te krijgen en zijn daarin ondersteund door binnen- en buitenlandse krachten. De overige ruim 400 nabestaanden hebben dat niet gedaan en hebben de steun ontbeerd om gerechtigheid te vinden.

Hoewel politiek geweld na 1992 tot stilstand is gekomen, heeft het diepe sporen achtergelaten in de Surinaamse samenleving. Een enorme polarisatie en diepe verdeeldheid hebben de Surinaamse gemeenschap in de afgelopen decennia getekend. Het is de vraag of met de afronding van het 8 Decemberproces een einde zal komen aan die polarisatie en verdeeldheid. Dat zal afhangen van hoe de Surinaamse gemeenschap zal reageren op de uitspraak van de rechtbank. Iedereen heeft daarin zijn of haar eigen verantwoordelijkheid.

Het Comité Slachtoffers en Nabestaanden van Politiek Geweld gaat uit van het principe dat gerechtigheid tot vrede moet leiden en niet tot een nieuwe uitbarsting van geweld. Zuid Afrika onder leiding van Nelson Mandela heeft een voorbeeld gesteld hoe een land kan omgaan met politiek geweld. Waarheidsvinding, dialoog en verzoening kan leiden tot gerechtigheid in vrede. Mandela is hiervoor geroemd en geprezen. Zijn vredesinitiatief is door Nederland ook financieel ondersteund.

In Suriname heeft Nederland 31 miljoen gulden gestoken om de Binnenlandse Oorlog in haar voormalige kolonie te voeren. Nu is het tijd voor Nederland om Mandela’s voorbeeld in Suriname te steunen.

Suriname heeft sinds 1980 drie amnestiewetten gekend. De tweede amnestiewet, die door president Venetiaan en de Frontregering in 1992 is ingevoerd om de daders van de misdaden tijdens de Binnenlandse Oorlog te vrijwaren voor vervolging, heeft een traject uitgestippeld om te komen tot gerechtigheid en vrede.

Artikel 3.1.a stelt: “Indien personen veroordeeld zijn tot straf, de bevoegdheid tot uitvoering van die straf vervalt en, voor zover zij zich tot uitvoering van die straf in detentie bevinden, het Openbaar Ministerie, of de rechter die de straf heeft opgelegd, de onmiddellijke invrijheidstelling zal bevelen.”

In de Memorie van Toelichting schrijft president Venetiaan: “Indien de amnestieregel het beoogde doel wil bereiken, is het van essentieel belang, om een duurzame basis te scheppen voor een vertrouwen bij alle betrokken partijen. Hiervoor zal in de eerste plaats vereist zijn, het op gang brengen van een dialoog tussen deze partijen door een buiten de partijen staande instantie. Alhoewel deze weg wellicht langdurig kan zijn lijkt zij onder de huidige omstandigheden de enige praktisch mogelijke.”

Met deze bepalingen hebben president Venetiaan en de Frontregering willen verzekeren dat gerechtigheid leidt tot vrede in plaats van nieuw geweld. Het is ook helemaal in de geest van Nelson Mandela. De derde amnestiewet heeft de tweede volledige overgenomen en alleen de periode waarop amnestie toegepast wordt, uitgebreid van 1980 tot 1992.

Het Comité Slachtoffers en Nabestaanden van Politiek Geweld roept de Surinaamse gemeenschap op om in deze geest een nieuw pad in te slaan in de geschiedenis van Suriname: het pad van vrede en verzoening middels waarheidsvinding en dialoog. We hopen dat deze oproep ondersteund zal worden door nationale en internationale krachten die Suriname een goed hart toedragen.

Humphry Jeroe

Voorzitter

Bisdom weigert uitgestoken hand Comité Slachtoffers

Het Comité Slachtoffers en Nabestaanden van Politiek Geweld heeft de Nationale Conferentie voor Dialoog en Verzoening verplaatst van 6 december naar 9 december omdat het Bisdom had aangegeven dat zij niet zou deelnemen aan de conferentie als deze aan de vooravond van 8 December zou worden gehouden.

In een brief van 4 november heeft het Comité deze verschuiving gemeld aan het bisdom. Op 8 november heeft het bisdom op de wijziging gereageerd door aan te geven dat zij dan nog niet wenst deel te nemen aan de conferentie, maar stelt nu als voorwaarde dat het Comité eerst het standpunt van het Bisdom t.a.v. de rechtszaak moet onderschrijven.

Het Comité stelt dat dialoog niet mogelijk is als partijen elkaar dictaten opleggen waarbij vooraf elkaars standpunten zouden moeten worden onderschreven.

De conferentie gaat gewoon door op 9 december met iedereen die met elkaar in gesprek wil gaan vanuit verschillende ervaringen met en meningen over politiek geweld.

Comité antwoordt Bisschop Choennie

Op 26 oktober schreef Bisschop Karel Choennie een brief aan het Comité Slachtoffers en Nabestaanden van Politiek Geweld waarin hij aangeeft dat het bisdom niet wenst samen te werken met het Comité op het gebied van dialoog en verzoening vanwege meningsverschillen over het 8 Decemberproces.

In zijn antwoord van 31 oktober schrijft voorzitter Humphry Jeroe dat hij “onaangenaam verrast” is door de brief van de Bisschop. Jeroe legt uit dat met de preek van 8 februari uitgesproken door vicaris-generaal Esteban Kross de hoop was ontstaan dat het Bisdom alle vormen van politiek geweld zou erkennen en een rol wilde spelen in dialoog en verzoening. Die hoop werd bewaarheid toen de gesprekken tussen het Bisdom en het Comité op gang kwamen. Jeroe beschrijft in zijn brief zes gesprekken die geweest zijn met het Bisdom (5, 14 en 20 juli en op 1, 4 en 22 augustus) waarin beide partijen overeenkomsten en verschillen bespraken. Aanvankelijk was het Comité tegen het voorstel om het Vaticaan te betrekken bij dialoog en verzoening in Suriname. De dialoog heeft ertoe geleid dat het Comité haar standpunt heeft herzien en voorstander is geworden van het betrekken van het Vaticaan bij dialoog en verzoening in Suriname. Het bisdom stelde voor om de OAS te betrekken met de gesprekken met het Vaticaan. Deze positieve sfeer van dialoog eindigde in het laatste gesprek in een verzoek van het bisdom aan het Comité om deze voorstellen voor samenwerking op papier te zetten.

De plotselinge stopzetting van deze gesprekken kwam als een donderslag bij heldere hemel. De eis dat het Comtié eerst het standpunt van het bisdom moet onderschrijven inzake het 8 December proces past helemaal niet in het patroon van de zes gesprekken die er zijn geweest.

Jeroe schrijft in de brief: “Uw benadering van dialoog komt erop neer dat dialoog vervangen wordt door dictaten. U eist namelijk dat we het eerst met uw standpunten eens zijn alvorens een dialoog te beginnen. Dat betekent effectief dat dialoog voeren onmogelijk is. Als iedereen van elkaar vooraf eist dat de andere zijn/haar standpunten deelt alvorens te praten, dan is ieder gesprek bijvoorbaat onmogelijk.”

In haar brief stelt Bisschop Choennie dat de organisatie van een nationale conferentie over vrede, dialoog en verzoening op 6 december getuigt van weinig respect voor slachtoffers en nabestaanden van 8 December. Jeroe antwoordt: “We kunnen deze opstelling op twee manieren interpreteren: een negatieve of een positieve. De negatieve manier is het ter discussie stellen van uw moraal. Op grond van welk moraal meent U dat sommige nabestaanden van 8 December meer rechten hebben dan andere nabestaanden van 8 December in de manier waarop de slachtoffers herdacht mogen worden. Op grond waarvan meent u dat andere nabestaanden van politiek geweld uitgesloten moeten worden om de doden van 8 December te mogen herdenken? Op grond waarvan zijn universele en christelijke waarden als dialoog en verzoening kwetsend voor sommige nabestaanden van 8 december? Wat zegt dat over hun moraal als ze zich gekwetst voelen als anderen pleiten voor vrede en verzoening? Deze vragen komen voort uit een negatieve benadering. Maar wij kiezen niet voor de negatieve benadering. De positieve benadering is het zoeken naar positieve elementen in uw argumenten om niet deel te nemen aan de conferentie. Dat element zit in het idee dat U misschien wel een conferentie over dialoog en verzoening zou willen ondersteunen, maar niet rond 8 December. Uw argument is dan geen goedkope manier om u tegen de conferentie te keren, maar een serieuze vraag om op een ander moment zo een conferentie te organiseren. Graag zouden wij van u willen vernemen of dit inderdaad zo is en u wel wilt deelnemen aan een conferentie die op een ander tijdstip zou worden georganiseerd.”

Het bisdom werpt zich op als spreekbuis van de nabestaanden en slachtoffers van 8 december. Jeroe stelt de bisschop de vraag: “Comité-lid Eddy Weewee is katholiek, evenals een deel van zijn familie op Brownsweg. Ze zijn slachtoffers van de Binnenlandse Oorlog, die ondersteund werd door sommige families van 8 december. Welke boodschap heeft u voor katholieken Sals de familie Weewee als het gaat om gerechtigheid?”

De brief eindigt met drie vragen die Jeroe aan de Bisschop stelt:

  1. Wij zijn van plan om een verzoek te richten aan de regering om de mogelijkheden te onderzoeken om het Vaticaan te betrekken bij dialoog en verzoening in Suriname. Een mogelijk bezoek zou dan voorbereid moeten met meerdere organisaties, waaronder het Comité. Bent u bereid om dat verzoek te ondersteunen?
  2. Wilt u deelnemen aan een conferentie over dialoog en verzoening als deze op een ander moment dan rond 8 december wordt georganiseerd?
  3. Welke boodschap heeft u voor katholieken als de familie Weewee als het gaat om gerechtigheid.

De volledige brief is hier te downloaden: https://comiteslachtoffers.org/wp-content/uploads/2017/11/Brief-Bisdom-20171101.pdf

Het Comité heeft besloten om de conferentie te verschuiven van 6 naar 9 december. In een Brief aan het bisdom van 4 november heeft het Comité dat aan de bisschop medegedeeld.

 

Information about political violence in Suriname

Background

Suriname, a former colony of Holland in South America, near Guyana, became politically independent in 1975. On February 25th 1980 amidst political turmoil a group of 16 non-commissioned officers staged a coup d’état that overthrew the elected government that was accused of corruption. The coup left three persons dead. Suriname entered a phase in her history in which the use of violence became part of political conflicts.

Subsequently a process took shape in which forces from the left and the right were involved in a struggle for power both within the military as well as in society. The process became more complicated with the involvement of international forces (USA, Holland, Cuba, Brazil). Desi Bouterse emerged as the main leader of the revolting military.

Between 1980 until 2017 there have been twelve cases of political violence with coups, attempted countercoups and other efforts to engage in political violence.

The most important cases with the biggest impact are the actual coup led by lieutenant Surindre Rambocus that almost succeeded in taking over the country in March 1982, the attempted coup in December 1982 that led to the arrest and the killing of 15 members of the opposition (left and right) and the Interior War between 1986 and 1992. The Interior war was a full scale guerrilla war supported by the Dutch government with 31 million guilders (US$ 27 million) that left almost 450 people dead. The war was supported by the families of the victims of the December 1982 killings. In 1992 a peace accord was reached between the government and the guerrilla forces.

Meanwhile in 1987, after seven years of military rule, parliamentary democracy was restored and the first elections took place that brought the old regime back in power. Bouterse had set up a political party – the National Democratic Party (NDP) – but gained only 3 of the 51 seats. In successive elections the influence of the NDP increased steadily to the extent that in the last two elections the party won state power by democratic means with Bouterse as the president. In the last election of 2015 the NDP got the absolute majority of the parliamentary seats (26 out of 51).

Amnesty

The successive governments tried to deal with political violence through amnesty. In 1980 a civilian government was installed a few weeks after the coup, that gave amnesty to those involved in the coup which lead three people dead in the first amnesty law.

In 1992 after the peace accord in the Interior War the government adopted a second extended amnesty law that gave amnesty to the guerrilla fighter, but not the military. The amnesty did not include the December killings. The amnesty law also provided in the establishment of a truth and reconciliation commission, but this never took off.

In 2000 the families of the December killings started a judicial process against those responsible for the December killings. In 2012 the government led by Bouterse adopted a third amnesty law based on the second amnesty law and included the December killing. But the judiciary discarded the amnesty law and went ahead with a trial.

Dialogue and reconciliation

In 1993 Henk Herrenberg, who was affiliated to Bouterse, started with the first efforts to get a process of dialog, reconciliation and truth finding under way, but it failed.

In 1998 the Organization for Justice and Peace in cooperation with the Inter American Institute for Human Rights organized a conference with the title “Truth and Justice: in search for reconciliation in Suriname”. It did not lead to anything concrete.

From July 22 to 28, 2012 an OAS fact finding mission met with representatives of the Government of Suriname and different sectors of the Surinamese society to look into this matter. In 2014 the Government of Suriname, in collaboration with the National Assembly and with technical assistance from the Organization of American States, organized a Conference on “International Experiences on National Dialogue,” on March 5 and 6, 2014 in Paramaribo, Suriname.

The Surinamese community is faced with a dilemma: how to deal with human rights abuses as a result of social and political antagonism since February 25th 1980? Is the judicial system an instrument of justice and peace or does it add to the tensions in society and possible result in social explosion with much more violence and death? Is truth and reconciliation another path to achieve justice? What are the mechanisms of dealing with violence as a result of social and political pressure?

The families of the 8 December Killings and their supporters, including the Dutch government, have been very vocal, nationally and internationally, in rejecting a process of dialog, reconciliation and truth finding.

A new initiative

When the NDP won the elections in 2010, the parliament passed an amnesty law with the provision to install a truth commission after amnesty has been given. The truth commission never took off, because the opposition did not cooperate with the government.

The December killings and the civil war has created deep divisions in the Surinamese society. Politicians could not come up with a solution for this problem.

The result of political violence

Since 1980 at least 450 were killed in these conflicts. Internationally the most well known cases are the 15 persons executed in December 8 1982 and the 39 civilian victims of the village of Moiwana in November 1986 during the Interior War that lasted from 1986-1992.

However, a minimum of 450 persons have died as a result of political violence, among them 72 army members. The overwhelming majority were civilians. Some of the most horrific killings took place during the interior war and included beheading, burning and chopping to death by rebel groups and atrocities committed by the army.

For many decades the voice of the majority of victims and bereaved were never heard. Most of them kept their grievance, anger and hate amongst themselves. Many of the victims of the interior war held the families of the December 1982 killings responsible for their sorrow. The families organized the logistic, military and financial support for the interior war. Recent archival research showed their involvement and the role of the Dutch government that financed the war with NF 31 million.

Project testimony of president Desi Bouterse

In 2015 Sandew Hira, pen-name of Dew Baboeram, a columnist and public intellectual and a brother of one of the lawyers who was executed in the December killings, called upon the current president of Suriname, Desi Bouterse to cooperate in a trajectory of truth finding regarding the December killings. The president reacted positively to this call.

See the correspondence between Sandew Hira and president Desi Bouterse here.

In November 2015 Hira had an eight hour interview with him that dealt with all cases of violence, including the December killings and his role in those killing. The interview was recorded on video and broadcasted by national television. It is still available on YouTube: https://www.youtube.com/watch?v=1312h6s6REU&t=8s.

The president also gave Hira unlimited access to sources of the government including the army and the intelligence services to conduct his research into political violence. In his research he saw the link between the December Killings and the Interior War. Hira visited the sites of military confrontation and talked to many victims of the War.

In Holland Hira got permission from the Dutch Ministry of Foreign Affairs to conduct research in the archives of the Ministry regarding Suriname. Hira also studied the proceedings of the court case on the December killing.

The result of his investigations was published in January 2017 in Dutch in a 416-page book (in Dutch, the official language of Suriname). It was the first systematic attempt at truth finding in Suriname regarding political violence.

It was also the first time that the voices of the majority of victims of political violence in Suriname was heard.

Committee of Victims and Bereaved of Political Violence

Some victims and bereaved took the initiative of contacting Hira and starting a dialogue. Hira was considered to be part of the families they held accountable for their suffering. That dialogue resulted in the establishment in February 1st 2016 of a NGO foundation – the Committee of Victims and Bereaved of Political Violence in Suriname. The committee consist of victims and bereaved of political violence. Hira is also a member of the Committee.

The Committee started with a series of activities.

First they wanted to organize a National Day of Mourning. The idea came from the experience in 1995, where the current president of the Committee, was personally involved. The village of Pokigron, where he was born and lived, was burned down in 1989 by the rebel army. The people involved in the burning came from surrounding villages who had joined the rebel army. The war ended in 1992, but the division, antagonism and resentments were clearly there, especially at Atjoni, a central place where villagers met each other in the harbour. Fear for escalation that might end in new violence led to the initiative of a regional day of mourning and commemoration. The village could have chosen for the option of a court case to bring the perpetrators to justice. But they felt that this would only add fuel to a situation of potential conflict. Dialogue would be the only way to get a sustainable peace. The day was organized on June 30 1995 and led to a considerable alleviation of the tension.

When the Committee was established they took the initiative in organizing a national day of mourning on June 30 2016. It was attended by 1.500 people. They want to institutionalize it as a permanent annual event. In 2017 they organized the second edition with the same attendance.

Second, they try to develop a relationship with organizations in other countries that have dealt with political violence. In November 2016 they invited Stanley Henkeman, director of the Institute for Justice and Reconciliation in South Africa for a visit in Suriname. Henkeman met different people, went to visit villages in the interior, gave a lecture and concluded an agreement with the Committee on establishing mutual relations. Henkeman observed that there are two venues in Suriname that commemorated political violence and they are hardly 300 meters of each other. One is the Fort Zeelandia where the December killings took place and the other is the monument for the victims of the Interior War. Henkeman pointed to a similar situation in South Africa where the government decided to build a bridge to connect the monuments. They took that idea and are now calling upon the government to connect our locations with a path of reconciliation. On December the 8th 2016 they walked from the Monument of the Interior War and ended at Fort Zeelandia to reflect and pray. At the National of Mourning in June 2017 they walked from Fort Zeelandia to the Monument of the Interior War.

Third, they argue for a formal recognition in law of the victims of political violence. To that end they have drafted a law that would stipulate the following:

  1. The government should formally acknowledge the victims and survivors of political violence as a group for which policy has to me made.
  2. The government should support a trajectory of truth finding into political violence in which all perspectives and experiences should be taken into account.
  3. The government should offer formal apologies for not being able to prevent it and participate in it.
  4. The government should offer reparations for material and immaterial damages.
  5. The government should offer trauma consultancy to the victims and survivors.
  6. The government should set up a commission to investigate the missing persons in the interior war (military, rebel fighters, civilians) and arrange proper reburials.
  7. The government should set up a commission that produce educational material for the educational system in which all perspectives of all participants are included.
  8. The government should support a national day of mourning on June to commemorate all the people who were killed during the year as a result of political violence.
  9. The government should facilitate the collection of stories of victims and perpetrators of political violence. They should provide a name and a face for those who never had a name and face in the national memory.
  10. The government should facilitate dialogue and meetings between victims one the one hand and between victims and perpetrators as part of memory building and healing.

Fourth, in order to get the law passed they wanted to show that there is popular support for our work. They have started a campaign to gather 10,000 signatures among the population in support of the law; 10,000 is a lot in a small population of 500,000. Besides, never before has anyone tried such a campaign. They started on January 23, 2017. Our goal is to present 10,000 signatures at the Day of National Mourning on June 27th. They ended with 70% (7,030 signatures).

Fifth, they want to set up a trajectory of meetings and dialogue. Political violence have impacted different groups: Sandew Hira has documented 12 cases of political. The biggest number of casualties was in the case of the Interior War. Several groups have been involved in political violence, among others the military, the different rebel groups, the civilians from different villages, the family of the December killing, Holland, European mercenaries who where contracted to fight in the interior ware and who died in Suriname.

On several occasions the Committee has invited the families of the December killings to sit together to start a dialogue, but to no avail. On February 8, 2017 the Roman Catholic Church, who operates in close cooperation with the 15 families of the December killings announced that they would like to initiate a process of dialogue. On February 10, 2017 our Committee sent a letter to the bishop extending a hand for dialogue. The bishop has invited Hira for personal talks and the committee for organization talks in the week of August 1-7th 2017. The Committee and the bishop have decided to stay in conversation despite the disagreements they have.

At the National Day of Mourning the former leader of the Jungle Commando, the main rebel group, accepted our invitation to attend the day of mourning. He even made a financial contribution in covering the costs of transportation for groups from the interior who wanted to attend the ceremony in the capital.

In November 2017, the Moiwana Foundation, a group that is fighting for the interests of the victims of the village of Moiwana, where the army killed 39 civilians, invited our Committee to attend their commemoration. In January 2017 the board of the committee had a long meeting with the board of the Moiwana Foundation. They discussed our differences and common interest. The Moiwana Foundation is in favour of using the court to get justice. Despite our differences they are still in dialogue.

Family members of another rebel group, Tucajanas, started a conversation with us on how to move forward with the difficult process of dialogue and peace.

Future

The unique aspect of the process of truth finding, dialogue and reconciliation in Suriname is, that the whole process is not state-driven as in many other countries. The whole process started from below, from the victims themselves.

Contact information of the Committee

Humphry Jeroe

President of the Committee of Victims and Bereaved of Political Violence in Suriname

Tel: 8744486

Email: comiteslachtoffer@gmail.com/jeroe.hu@live.nl

 


 

 

 

Correspondence between Sandew Hira and president Desi Bouterse

Open letter from Sandew Hira to president Bouterse

The Truth sets us free

Honorable President Bouterse,

You have been elected as president of Suriname in a democratic manner. At the end of your new term as president you will be 75 years of age; an age to reflect on your legacy on the history of Suriname.

We don’t know each other personally. We’ve never met before. We share a drama: the December murders of 1982. My brother, John Baboeram, was then tortured and killed in Fort Zeelandia under your responsibility. It has marked the life of my father and mother, and our entire family, for the rest of their existence. Their grief has always been an overwhelming burden to me. And not least because of the tension between my love for my parents and my political and moral views.

You view February 25th as a revolution. I view it as a military coup with contradictions from left and right. Shortly after the December murders I was called by a civil servant of the Dutch Ministry of Home Affairs. He invited me to a meeting with ex-president Chin A Sen. In that meeting Chin A Sen asked me to speak out in favor of a military operation that he would conduct with the CIA. He would organize a press conference with everyone who would support him at Schiphol airport before leaving for America. I refused to join him.

For my dear parents this was an incomprehensible decision. Their pain longed for justice. I know very well that my answer was completely unsatisfactory to them. I gave a political reason for my decision. I would never support any action of the CIA, because their actions have never served the interests of the oppressed in the world. I also gave a moral reason: the military actions of the CIA would lead to the deaths of innocent civilians in Suriname, who also have a father and mother. The political reason was misunderstood, the moral seemed to appeal a little bit more to them. To their question “What is the alternative” I replied: “Nonviolent Action”. Despite their admiration for Mahatma Gandhi, they attached little importance to that strategy. The tension between my love for my parents and my political and moral views coincided with another pain, the pain of principles.

In the following years I worked intensely with the late Fred Derby for the restoration of the constitutional state in Suriname. That came about thanks to the efforts of many forces in Suriname. In 1987 the first elections were held. In 2015 your party won the last election with a majority.

In the past 33 years the December murders remained hanging as a dark cloud over the Surinamese society in and outside Suriname. Much has changed in that period. Over time, former opponents of yours have become allies. Paul Somohardjo and Ronnie Brunswijk are just two striking examples. Attempts to hold you accountable for the December murders through legal means have gone nowhere. In that process the amnesty law has played an important role. There too I had to experience the pain of principles.

On one side there is a group of surviving relatives – supported by political forces in and outside the country – who advocate for a legal process. I understand their emotions. On the other side your government – where Somohardjo and Brunswijk were a part of – granted you amnesty in advance and established a truth commission afterwards. That commission has gone nowhere.

I advocated for a process of truth finding as an alternative for a legal process and against a law that granted amnesty in advance.  I did not receive praise for this. Both processes were not able to drive away the dark cloud. And that cloud places negative tensions upon our society. Relationships between people at all levels – politically, economically, culturally etc. – are still influenced by the position they take in relation to the December murders.

That division will remain as long as no process to work past these experiences takes place. Finding the truth is an important part of this process. The truth sets us free. It puts us in a position to tell each other: even if we do not agree about how we judge the past, the fact that this past will not be covered up, is sufficient to turn this black page in our history and jointly build a new future for our communities in and outside Suriname. It will do us good in many respects: politically, economically, culturally etc.

The key is in your hands in this process. In light of the failure of the truth commission, I therefore present you the following proposal. That proposal consists of five points.

You provide, in an extensive and comprehensive interview with me, a testimony about the events in which you were involved, and in which violence has been a determining factor. I explicitly do not limit those events to the December murders. It is not about processing my personal grief, but about processing the grief of many people who needed to deal with violence running up to 25th of February and afterwards, including the December murders, Moiwana and the civil war (on both sides). For me it is not about violence in the context of personal relationships, but to understand the social and political context of what happened, why decisions have been made as they were taken and how those decisions are assessed afterwards. The testimony is your story. It is not a discussion with me. It is not a court. It’s about finding the truth.If such an interview is not prepared well, you could tell me anything. The value of that interview is not very high. Therefore, I suggest that in preparing for this testimony, I will conduct an intensive research on this period with a team of people over some months to get the facts listed that will be the foundation for the questions of the interview. The research will be based on public sources, interviews with people and archival sources within the government apparatus. It is not limited to the December murders but covers the entire period, including the events leading up to February 25th. I suggest that your government cooperates in making the archives available within the public administration (archives of the ministry of justice, the army and home affairs). Based on the research I will prepare the questions for your testimony. I suggest that we take as much time as needed to go through the testimony, even though it may take several days. I realize that a president of a country will not be able to just take off a few days for an interview, but I believe that this issue is crucial to the future of the relations within our society, even long after you have changed temporary life with the eternal.

Based on the research and your testimony I will produce a report for the public with the research findings and your entire testimony. I will deliver the report to the Speaker of the House and will make it available for download via Internet so that everyone can review it. The sources (underlying documents and videos of our conversation) will be made available to the National Archives of Suriname so that future researchers are able to review them.

If this idea does not suit you, you don’t have to do anything. If it appeals to you, I propose that in reply to this letter you appoint someone from your administration to start up this process with me and that you announce this in a public statement. The entire process will be transparent. I will regularly report on the progress of the process via the media.

Such a process is costly. I don’t ask your government for money. If your government offers money, I will refuse it. I will ask our society for financial contributions. If these do not come, I will still continue. The research will need to be independent in all aspects.

I have thought long and hard about whether I want to do this. Emotionally this is a heavy burden. The idea that I will be sitting in the same room with you — man-to-man, face-to -face — is almost an unbearable thought. The idea to shake your hand at a meeting, like every civilized person ought to do, evokes strong emotions in me because that thought mixes with memories of my father and mother and their intense grief. I ‘m not sure if I would be able to do this if it had not been my brother, but my child.I’m not looking forward to it. After this process we will not be friends. We will not visit each other and share our feelings and thoughts about life. After this process both of us will go on with our own lives. I do not know what this will mean for you personally. I know it will mean a lot to me, and for large sections of the society of which you are president: it will free us from a mental knot where we have been stuck now for decades.

Sincerely,

Sandew Hira

Reply of president Bouterse to Sandew Hira

Dear Mr. Sandew Hira,

Last week I read your letter about truth finding regarding what you call “a drama which we share together; the 1982 December Murders “. Like you, I also call it a drama. I do say that there are many events, since 1980, and even before, which ultimately led to this drama. That’s why I call it the “December events.”

Like you, I have called this drama, on several occasions in the past the “Black page in our history”.

I do not know if you want to hear it at this moment, but do know that I understand your pain and grief and that of your parents, your family, as well as that of other relatives. We are all human and none of us would want to go through this pain and sorrow, none of us wish another this pain. Neither do I. And yet it did happen.

When the “Group of 16” took over state power in February 1980, I never imagined how dangerous it was to be in power. There were many entities in our country who saw their power, and therefore their influence, slip away in front of their face. At that time I was not aware of these (hidden) interests and far-reaching reactions that would follow.  The period of euphoria of the revolution and the change that it would bring about, had not even passed and these reactions already started shaping the events, often behind the scenes. Time after time evil plans, counter coups, interventions of foreign intelligence agencies, threatening scenarios of violence, planned attacks by assassins and infiltrators from outside, against me and my companions; some also have been implemented. However, not only from the outside, even within the “Group of 16”, some have been bribed by offering them visas and gifts, with the aim to interrupt the initiated process of revolutionary change. You yourself speak about Chin A Sen and his request to you at the Ministry of Home Affairs in the Netherlands, to express support about a military operation with the CIA to be undertaken in Suriname. You refused, because you do not cooperate with the CIA because of your political principles. You refused, because innocent people would die. You stand for non-violent action. I regard you as a patriot. Others during their turn have made other decisions. Surinamese got caught up in a struggle against Surinamese because of and with the assistance of foreign forces. Systematic destabilization. A more intensified power struggle. You could cut the tension. The feeling of fear in the country was everywhere. I knew that we needed to preserve and protect Suriname for the Surinamese. A black page did arise unintentionally. I managed to survive it. But the costs for Suriname were high.

I tell you honestly, I did not understand it, we did not understand it, less our wives, children and parents who knew that our plans were always in favor of Suriname. I never had other intentions than to create a better Suriname. I did not know how to do it. I did know that it was a must! We were all soldiers and did defend ourselves when needed and when we were force to do so, often with the same sources of those who wanted at any price to remove us from power. Already at a young age (34 years) my life had been radically changed. I lived constantly between dead and alive. Should I continue? Should I abandon my people? Should I choose for another life without worries? No, there was no return. As a soldier and leader of the people there is only one way and that is the defense of country and people, therefore I persisted in my struggle for a better future for the people of Suriname. This would be my life till dead with all the dangers involved.

I was able to acquire a lot of experience during the last 35 years and many insights about how inhuman and merciless the effect of power can be. And many times I had firsthand experienced of this. I have gone through the deepest valleys, and attacks to overthrow us continued, but I’ve also been successful because of the support of the people.

Now I am President; I need to be there for the entire society. I can barely imagine what it must be for the bereaved family to see me in this position. At the same time, I must as President, but also as fellow Surinamese, be there when my people or sections of them do have problems, and undergo pain and sorrow. I want to be there to help solve or lighten these problems and emotions. I too have made several mistakes in my life with different healing processes over time. Your proposal is balanced, focused on solutions to be able to move forwards as a people and geared towards the future. Such a proposal to work on truth finding did not come in this form before. Unfortunately, I never initiated it. Is it true that nothing comes before its time? Maybe then this is the moment.

Hereby, I want to tell you that I accept your proposal to turn this black page in our history through truth finding. For you and me this will be an emotional journey. But Suriname has the right to the truth, the right to closure and healing, so that we can move on as nation.

With respect and appreciation,

D.D. Bouterse

25 July 2015, Paramaribo

Samenwerking Comité Slachtoffers en Nabestaanden van Politie Geweld en Gods Bazuin

Op woensdag 28 juni hielden Humphry Jeroe en Sandew Hira een presentatie van hun werk voor het apostolisch team van Gods Bazuin Ministries onder leiding van bisschop Steve Meye.

Uit de discussie is een aanbod van Gods Bazuin gekomen om spirituele hulp te bieden aan slachtoffers en nabestaanden die het nodig hebben.

Veel mensen in stilte en eenzaamheid de gevolgen hiervan dragen in trauma’s, pijn en verdriet. Naar hun leed is nooit omgekeken. Het Comité als doel heeft om een stem te geven aan deze mensen. Gods bazuin heeft de middelen en de expertise om mensen in nood met raad en daad geestelijke bijstand te verlenen. Gods Bazuin is in alle districten vertegenwoordigd.

In de afgelopen weken hebben beide organisatie toegewerkt naar een overeenkomst waar de samenwerking is vastgelegd. Het doel is om mensen te identificeren die lijden als gevolg van politiek geweld en trajecten van geestelijke bijstand op te zetten. Het Comité zal een administratie bijhouden van alle personen die te maken hebben gehad met politiek geweld en zal daarbij ook opnemen de geestelijke stroming waartoe zij behoren. Gods Bazuin zal een aanbod samenstellen t.b.v. geestelijke bijstand aan mensen die lijden als gevolg van politiek geweld. Het Comité en Gods Bazuin zullen gezamenlijk een informatiecampagne voeren om het aanbod van Gods Bazuin onder de aandacht te brengen in hun geledingen. De informatiecampagne bestaat uit:

  1. Een gezamenlijke informatiefolder waarin het aanbod en de achtergronden uiteengezet worden.
  2. Een serie bijeenkomsten in de eigen geledingen om het aanbod onder de aandacht te brengen.
  3. Een media-campagne om de resultaten van de campagne onder de aandacht te brengen in de gemeenschap.

De campagne zal na zes maanden na de start geëvalueerd worden.

De overeenkomst kan hier gedownload worden.

 

20170719_115430 20170719_115356

Toespraak Humphry Jeroe bij het Pad van Verzoening d.d. 29 juni 2017

Dames en Heren,

Ik heet u welkom op deze tweede gedenkwandeling langs het Pad van Verzoening.  Het lijkt mij gepast om voordat ik het waarom van het Pad van Verzoening aangeef namens het Comité en de Commissie Slachtoffers en Nabestaanden van Politiek Geweld medeleven te betuigen aan de nabestaanden van slachtoffers van politiek geweld die hier zijn gevallen.  Vanaf de oprichting van het Comité hebben we steeds aangegeven op te komen voor alle slachtoffers en nabestaanden van Politiek Geweld en hen te herdenken.

Pad van verzoening

Het idee is gekomen tijdens het bezoek van Stanley Henkeman, directeur van het Institute for Justice and Reconciliation in Zuid-Afrika. We lieten hem plekken zien die symbool staan voor leed w.o. het Fort Zeelandia waar op 8 december 1982 15 mensen zijn vermoord en het Monument van gesnevelde Burgers en militairen tijdens de Binnenlandse Oorlog die aan minimaal 450 mensen het leven heeft gekost.  Stanley vertelde toen het verhaal van twee monumenten van zwarte en witte Afrikanen in Zuid-Afrika.

Op 16 december 1838 vond een beslissende veldslag plaats tussen 470 blanke Afrikaners (“Voortrekkers”) en 15.000-21.000 zwarte Zulu’s bij de Ncome rivier in KwaZulu Natal, die eindigde met een overwinning door de witte Afrikaners. De veldslag staat bekend als de “battle of the blood river”. Op de plek van de veldslag in KwaZulu Natal bij de Ncome rivier staat ook een monument van Afrikaners om de veldslag te gedenken en te vieren. Het heet het Blood River Monument. De Zulus hebben aan de andere kant van de rivier hun eigen monument opgezet om het verhaal van de veldslag te vertellen vanuit hun perspectief.  16 december is in 1994 door de ANC regering uitgeroepen tot verzoeningsdag in Zuid-Afrika. In 1994 werd een brug over de rivier gebouwd die de beide monumenten met elkaar verbond. President Zuma verklaarde bij de opening dat 16 december voor sommige mensen het symbool is van de overwinning van de witte Afrikaners en voor andere een symbool van zwart verzet en zwarte pijn.

Doel

Het doel van het Pad is simpelweg de pijn en het leed van slachtoffers en nabestaanden van politiek geweld met elkaar te verbinden in plaats van die gescheiden te houden. Het is nu een symbolisch verzoening van mensen die de binnenlandse oorlog hebben gesteund en de slachtoffers en nabestaanden van die oorlog. Onze hoop is dat in de toekomst het tot echte verzoening komt. Het leed van de nabestaanden van 8 December is hetzelfde leed van de nabestaanden van de Binnenlandse Oorlog. De politieke visies verschillen wel, maar het leed is hetzelfde.

Wij vinden dat we elkaar niet tot in de eeuwigheid moeten verwijten dat wij verantwoordelijk zijn voor elkaars leed. Ooit moeten we de stap zetten naar dialoog omdat dat de enige manier is om met elkaar in vrede verder te kunnen leven.

8 December had nooit mogen plaatsvinden. De Binnenlandse Oorlog had nooit mogen plaatsvinden. Om die reden moeten we ons leed verbinden met het leed van de families van 8 December en daarom staan we hier. We tonen met deze gedenkwandeling dat we een Suriname willen opbouwen waarin we de pijn en het verdriet uit het verleden niet vergeten, maar een waardige plek geven in ons bestaan. Daarom gaan we de gedenkwandeling lopen omdat wij als Comité vinden dat alle slachoffers door alle landgenoten herdacht moeten worden, ook door de slachtoffers van de Binnenlandse Oorlog.

Ter overdenking geven wij Suriname de volgende psalm 25 mee:

Niemand, die in God gelooft en op Hem vertrouwt, zal in Hem teleurgesteld worden.

De HERE is goed en graag bereid hun, die dreigen te verdwalen, de juiste weg te tonen. Hij zal de beste weg die men maar kiezen kan, tonen aan hen die zich in hun afhankelijkheid tot Hem richten. Als wij Hem dan gehoorzamen, zal elk pad waarop Hij ons leidt, getooid zijn met Zijn liefdevolle goedheid en waarheid. De vriendschap met God is uitsluitend voor hen, die Hem eerbied bewijzen. Alleen zij zullen de geheimen, verborgen in Zijn beloften, leren kennen. Wij kijken voortdurend op naar de HERE om Zijn hulp te vragen; want alleen Hij kan ons redden.

Here God, wilt U Suriname bevrijden uit alle moeilijkheden?

We bedanken u voor uw aanwezigheid en participatie en nodigen u nu al uit om op 8 december 2017  in de tegenovergestelde richting deze gedenkwandeling te lopen.

Ik nodig u nu uit deze tweede gedenkwandeling met ons te lopen naar het monument van gesneuvelde burgers en millitairen tijdens de binnenlandse oorlog.