Toespraak Sandew Hira Dag van Nationale Rouw, Paramaribo 29 juni 2017

De geschiedenis heeft ons leven gemaakt. Het is tijd dat wij, de slachtoffers en nabestaanden van politiek geweld, geschiedenis gaan maken.

 

President, vice-president, ministers, DNA-voorzitter, DNA leden, hoogwaardigheidsbekleders, slachtoffers en nabestaanden van politiek geweld, brada nanga sisa,

 

Deze Dag van Nationale Rouw vindt plaats te midden van een heftige maatschappelijke discussie over hoe om te gaan met politiek geweld mede naar aanleiding van het 8 Decemberproces en het requisitoir van het Openbaar Ministerie. Dat is een goede zaak omdat het onderdeel is van een historisch proces waar we midden in zitten.

Politiek geweld is het gebruik van geweld in politieke strijd. Iemand die vermoord is als gevolg van politiek geweld, sterft een onnatuurlijke dood, niet door ziekte of ouderdom maar door menselijke handelingen van iemand die de ander als vijand heeft gezien. Het rouwproces van de nabestaanden is anders dan bij een natuurlijke dood. Bij een natuurlijke dood heb je verdriet en pijn om het verlies. Bij een onnatuurlijke dood als gevolg van politiek geweld is verdriet en pijn vermengd met haat, woede, wrok en wraak. En wraak vraagt om tegengeweld. Genoegdoening bestaat uit de vernietiging van de ander. En als die vernietiging leidt tot nieuwe doden, dan zijn we terechtgekomen in een vicieuze cirkel.

Tussen 25 februari 1980 en 1992 zijn er in Suriname twaalf gevallen geweest van politiek geweld of pogingen daartoe. De belangrijkste zijn 25 februari 1980, de Rambocuscoup in maart 1982, de Decembermoorden en de Binnenlandse Oorlog. In totaal zijn er 450 doden gevallen, waarvan 15 op 8 December 1982.

Ik was mij als nabestaande van een slachtoffer van 8 December niet bewust van de vicieuze cirkel van haat en wraak totdat ik in het kader van het project De Getuigenis op hardhandige wijze geconfronteerd werd met een andere realiteit van haat, woede, wrok en wraak. Ik had gevraagd om een bijeenkomst met militairen van het Nationaal Leger en de nabestaanden van de omgekomen militairen vanuit de gedachte dat zij mijn verzoek als een handreiking zouden zien. Ik kwam bedrogen uit.

De boosheid die bij de nabestaanden van 8 December zit, zit ook bij de nabestaanden van de 72 militairen die omgekomen zijn tijdens de Binnenlandse Oorlog en de 600 gewonden. Ik zag dat aan het begin van de bijeenkomst aan de gezichten van de mensen die allerminst vriendelijk uit hun ogen keken. Toen ik klaar was, kreeg ik de wind van voren.

Madzi Fleming, die werkzaam was in het leger en verantwoordelijk was voor de opvang en begeleiding van de families van omgekomen militairen, begon tegen me te razen en te tieren. “Ieder jaar moeten we vanaf 1 december al beginnen te luisteren naar het geklaag van de nabestaanden van 8 december, naar het leed van hun families. Maar hoe staat het ons verdriet en onze pijn? Zijn wij geen mensen als alle andere mensen? Bij 8 December gaat nota bene om mensen die de Binnenlandse Oorlog gesteund hebben en daardoor verantwoordelijk zijn voor de moord op mijn man! Waarom moet ik naar hun pijn luisteren en zwijgen over de mijne?” Haar man was in zijn gezicht geschoten en zijn dood werd in de krant vermeld als de zestiende militair die was omgekomen. Hun enige dochter ging naar school en hoorde hoe de leerkracht naar dat bericht verwees en zei: “De zestiende hond is afgemaakt.” Het arme kind raakte helemaal overstuur en ging huilend naar huis.

Het echtpaar Silvester vertelde in tranen hoe ze hun zoon hadden verloren in de Binnenlandse Oorlog en het lijk nooit hebben kunnen begraven omdat het vermist was geworden. Ze hebben hun rouwproces nooit kunnen afsluiten. De familie van de twee broers Sabajo die in West Suriname zijn verdwenen, zitten met hetzelfde probleem. De jongens zijn vermoord en hun lijken hebben ze kunnen begraven om closure te kunnen hebben.

Remi Martopawiro, een fors gebouwde militair stond op en begon huilend tegen me uit te varen: “Kijk wat je doet. Je maakt oude wonden open. Kijk wat met deze families is gebeurd en het leven dat ze leiden vol pijn en verdriet. En wij moeten maar luisteren naar de pijn en het verdriet van mensen die ons voor moordenaar uitmaken. De man die bankovervallen en moorden pleegt wordt afgeschilderd als een Robin Hood en wij die opgeroepen worden om het land te verdedigen, worden afgeschilderd als misdadigers.”

Ik was verbouwereerd. Zoveel haat, woede en wrok kende ik van één kant: mijn kant. Ik wist niet dat een soortgelijke haat en boosheid  aan de andere kant bestond en tegen mij was gericht, niet als persoon, maar tegen alle nabestaanden van 8 December. Wat moest ik doen? Moest ik mijn pijn en verdriet tegen hun pijn en verdriet afzetten en mijn woede en wrok tegen de hunne? Trauma-deskundige Henk Amstelveen fluisterde me in: “Ga naar Remi en hou hem vast.” Ik was bang voor Remi. Hij was groot, agressief en wilde mij in elkaar slaan. Ik ging naar hem toe, hield hem vast en zei dat ik niet de bedoeling had om het verhaal van 8 December exclusief te maken. Ik was gekomen om naar hun pijn en verdriet te luisteren en te kijken wat we er samen aan kunnen doen. Remi gaf me een stevige omhelzing en antwoordde in tranen. “Je bedoelt het misschien goed, maar de afgelopen 35 jaar hebben wij moeten toekijken hoe een onderscheid werd gemaakt tussen mensen wier pijn legitiem was en mensen wier pijn niet erkend mocht worden.”

Ik heb toen geluisterd naar de verhalen van de andere kant. Ik heb daar in mijn columns en mijn boek over De Getuigenis over bericht: het in stukjes kappen van Tjokrodirjo, het onthoofden van Leefland, het vermoorden van twee militairen in een omgevallen Uhuru tank met een bijl en een pikhouweel, het verkrachten van vrouwen en jonge meisjes. Zij hebben allemaal vaders en moeders en mensen die om hen geven. Maar hun verhalen zijn nooit verschenen in De Ware Tijd of op radio Apintie. Hun columnisten en journalisten keken weg. Mensenrechtenorganisaties zwegen. De religieuze organisaties hadden geen boodschap van liefde en aandacht voor deze groep. De Nederlandse journalisten zorgen er consequent voor dat hun geluid niet in Nederland kon doordringen. De Nederlandse regering en Kamerleden die hard schreeuwen over mensenrechten in Suriname, hielden hun mond over hun mensenrechten. De Internationale Commissie van Juristen keek weg.

Hun leed is bewust weggeschoven omdat het niet past in een zeker politiek beleid. Maar ik kon die pijn, verdriet en woede niet wegschuiven. Ik kon ze niet negeren. Ik wilde ze niet negeren en dat is een keuze. Ik heb sindsdien veel verhalen gehoord van het leed van de families van militairen waar ik niet over heb gepubliceerd.

Neem het verhaal van Gill Roland Roel, een jonge militair van 25 jaar. Hij was de radioman van de eenheid. Hij was Rooms-Katholiek. Zijn kameraden maakten grappen over de gekke manier waarop hij liep, een beetje schuins. Gil had een enorme sterke band met zijn eenheid. Hij was de lieveling van de groep. Hij was een keer met verlof, maar hij wilde perse mee. Hij hoefde niet. Hij wilde mee niet, omdat hij een vechtersbaas was, maar uit kameraadschap en solidariteit. Hij was de radioman van de eenheid. Die keer kwam hij niet levend terug. Hij werd in de rug geschoten, dwars door zijn radioapparatuur. Hij zou het niet meer halen. Hij vroeg aan zijn kameraden: “Haal de commandant.” En toen die kwam, fluisterde hij in zijn oor: “Luku mi. Blijf bij me.” Hij blies zijn laatste adem uit in de armen van zijn commandant.

Hij is meegenomen naar de stad en begraven op de RK begraafplaats. Sterke kerels die nooit hadden gehuild, lieten hun tranen de vrije loop op het grafzerk van Gil.

Maar dit is niet het einde van zijn verhaal. Roel kwam uit een groot gezin met veel jongens en een paar meisjes. Hij had nog twee broers in het leger. Kort na zijn dood kwam zijn jongere broer om. Die stond bij een bushalte toen plotseling de paal op zijn hoofd viel en hij dood neerzeeg. Een oudere broer is door de politie doodgeschoten bij het standbeeld van Kwakoe omdat hij voor een verkeerde persoon werd aangezien.

Wat moeten die ouders hebben meegemaakt? Madzi Fleming vertelt me hoe de vader amper meer sprak en zijn ogen gebroken waren van verdriet. Hoe de moeder vaker huilde dan lachte en het leven van de zussen beheerst werden door de dood van hun broers.

Meer families hebben moeten meemaken hoe één gezin met meerdere zonen in het leger beide kinderen als lijken terugzagen, zoals de familie Pengel waarvan zoon Iwan door huurlingen werd afgemaakt en Stanley door het Jungle Commando was doodgeschoten.

Hoe diep moeten trauma’s van de familie Ajintoena zijn, die bij de moordpartij van Moiwana door het Nationaal Leger 10 familieleden hebben verloren?

Tijdens mijn onderzoek zag ik leed niet alleen bij de nabestaanden van 8 December en de families van militairen. Ik leerde ook de daders en slachtoffers van de Binnenlandse Oorlog kennen. Die vicieuze cirkel van wraak en wrok kwam iedere keer terug. Het Nationaal Leger telde niet alleen slachtoffers. Ze waren daders in moordpartijen, niet alleen in Moiwana, en niet alleen van leden van het Jungle Commando, maar van onschuldige mensen. En zij hadden hun eigen logica om dat te verdedigen: als je op mij schiet, schiet ik terug. Als je samenwerkt met mensen die op mij schieten, schiet ik ook op jou. Ik heb hartverscheurende verhalen van slachtoffers van de Binnenlandse Oorlog vastgelegd op video. Moeders en vaders die ik mijn armen sloot als ze braken van verdriet bij de herinnering aan hun dierbaren.

Jammer genoeg heb ik niet kunnen spreken met leden van het Jungle Commando. Hun verhalen zullen niet afwijken van de verhalen van de militairen van het Nationaal Leger.

Als je met zoveel pijn en verdriet wordt geconfronteerd, wat moet je dan doen? Wat kun je doen? Er zijn twee wegen die we kunnen bewandelen: een politieke weg en een humane, menselijke weg.

De politieke weg houdt in dat je naar pijn en verdriet kijkt vanuit een politieke invalshoek. Als de families van 8 December hun pijn naar voren brengen, dan wordt dat weggewuifd door hun tegenstanders als niet legitiem. Als de families van militairen hun pijn tonen, dan wordt dat genegeerd door de 8 Decembergroep. Die vicieuze cirkel van politieke actie en reactie blijft tot in de eeuwigheid bestaan en het leed van de slachtoffers wordt nooit opgelost.

De humane, menselijke weg, houdt in dat je pijn centraal stelt, ongeacht de politieke oorsprong van die pijn. Dat je de vicieuze cirkel van actie en reactie wil doorbreken en een nieuwe weg wil inslaan van luisteren, inleven en samen zoeken naar oplossing om het leed van iedere slachtoffer en nabestaande van politiek geweld een plek te geven en rust en vrede in onze harten te vinden.

Die menselijke weg vereist moed en durf, omdat het gebaseerd is op eerlijkheid en integriteit. En eerlijkheid doet pijn. Het is niet mogelijk om eerlijk te zijn en geen pijn te lijden. Eerlijkheid betekent dat je kwetsbaar bent. Het betekent dat je erkent dat je verteerd wordt door haat en erkent dat dat niet goed is. Het betekent dat je erkent dat je deel ben van een vicieuze cirkel. Zonder die erkenning kun je die cirkel niet doorbreken. Het kan leiden tot schaamte. Ik ken nu de schaamte van het wegkijken van mij en de andere nabestaanden van 8 December van het leed van mensen die wij als vijanden hebben gezien. De schaamte over onze verantwoordelijkheid voor de Binnenlandse Oorlog. Ik hoop een keer die schaamte te zien bij politici, kerkelijke leiders, mensenrechtenactivisten. columnisten en journalisten.

Maar moed en durf kunnen niet van één kant komen. Toen ik Remi Martopawiro vasthield op het moment dat hij mij wilde slaan, had hij de moed en durf om over zijn woede heen te stappen en mij de hand te reiken. Madzi had kunnen vastroesten in haar verdriet, maar we hebben elkaar gevonden. Remi en ik zitten nu samen in het Comité. Hij kende mijn verhaal en het verhaal van de 8 December slachtoffers omdat hij er 35 jaar naar heeft moeten luisteren. Ik heb voor het eerst geluisterd naar hoe zijn oorlogstrauma’s zijn familie bijna heeft vernietigd. Die pijn en verdriet heeft ons niet uit elkaar gedreven, maar bij elkaar gebracht. We werken met elkaar niet als zakelijke partners, maar als vrienden, als mensen die vrede en rust boven oorlog en haat stellen.

Ik weet uit eigen ervaring dat het niet alleen een strijd is in jezelf om de haat achter je te laten. Het is ook een strijd tegen mensen om wie je geeft en die nog vastzitten in die haat. Zij keren zich tegen je en zien je als verrader. Je moet de moed en durf hebben om dat te trotseren en moraal boven politiek te stellen. En daarbij zul je moeten accepteren dat je een hoge prijs zou kunnen betalen voor je principes. Ik weet het als geen ander.

Ik zag er enorm tegen op om het traject van De Getuigenis in te gaan. Nu, twee jaar later, ben ik enorm blij dat ik dit gedaan hebben, niet alleen voor het Surinaamse volk, maar ook voor mij persoonlijk. Ik ben verlost van de woede en de wraak die mijn leven beheerste. Ik heb nieuwe vrienden en vriendinnen gemaakt. Maar het allerbelangrijkste is dat we een proces op gang hebben gebracht waarin mensen die vroeger nooit een stem hadden, nu een stem hebben gekregen.

We hebben veel bereikt ook al moeten we nog bergen verzetten.

De getuigenis met president Bouterse is afgenomen en uitgezonden. Het rapport van het onderzoek is in boekvorm gepubliceerd. Er is een intensief en transparant communicatieproces geweest dat tevens een vorm was van educatie over wat politiek geweld is en hoe deze op te lossen. Er is een comité opgericht van slachtoffers en nabestaanden van politiek geweld, waar voorzitter Jeroe uitgebreid op is ingegaan. Dit is de tweede dag van nationale rouw. Er is een wet opgesteld om slachtoffers en nabestaanden van politiek geweld te erkennen. Er is een handtekeningenactie gevoerd om die wet te ondersteunen waarbij 7.030 handtekeningen zijn opgehaald, een unieke vorm van democratie die nooit eerder is vertoond in Suriname. We hebben Stanley Henkeman van het International Institute for Justice en Reconciliation in Zuid-Afrika naar Suriname gehaald en daarmee de eerste stap gezet naar internationale erkenning van het leed van alle slachtoffers van politiek geweld. Ik had onlangs contact met Stanley Henkeman die me vertelde dat hij eind van het jaar het Comité wil uitnodigen om deel te nemen aan een bijeenkomst van hun internationaal netwerk in Zuid-Afrika. We hebben een stem gegeven aan mensen die geen stem hadden of wiens stem nooit gehoord werd.

Wij hebben de vicieuze cirkel van actie en reactie, van haat en wrok, doorbroken. En de Surinaamse gemeenschap is er beter van geworden. Ze is er menselijker door geworden. Maar anderen zitten nog vast in deze vicieuze cirkel. In die context moeten we het 8 Decemberproces zien. Het is onderdeel van een vicieuze cirkel. Het is deel van het patroon van actie en reactie. Bij de aanname van de derde amnestiewet hebben de aanhangers van Bouterse gejuicht dat ze een punt hebben gescoord. Bij het negeren van de amnestiewet hebben de aanhangers van de 8 Decembergroep gejuicht dat het 1-1 staat. Bij de opdracht van de president om artikel 148 toe te passen was het 2-1. Toen het OM die opdracht negeerde, was het 2-2. Nu heeft het OM een strafeis bekend gemaakt en staat het 3-2. Wat is de volgende stap? Ik weet het niet. Eén ding weet ik zeker, vroeg of laat eindigt die vicieuze cirkel van actie en reactie in nieuwe vormen van politiek geweld met nieuwe slachtoffers en nabestaanden en een nieuwe golf van pijn, verdriet, haat, woede, wrok en wraak.

Het vereist moed om die vicieuze cirkel te doorbreken. Die moed zou moeten komen van de leiders van een gemeenschap: van politici, religieuze leiders, opiniemakers, mensenrechtenorganisaties. Maar die hebben gefaald, omdat zij politiek boven menselijkheid hebben gesteld. Die moed is van onderen gekomen, van de slachtoffers zelf.

En wij zullen doorgaan om die vicieuze cirkel te doorbeken. Bij slachtoffers worden vragen gesteld die hun leiders nooit gesteld hebben: “Hoe anders zou ons leven geweest zijn, als hij nog had geleefd, als mijn man of zoon niet was vermoord?” Ik hoor mijn ouders dat zeggen: “Hoe anders zou ons leven geweest zijn, als John nog had geleefd.” Misschien zouden ze hun oude dag in Suriname hebben doorgebracht, ergens dicht bij hem. Ik hoor Madzi Fleming zeggen: “Hoe anders zou mijn leven geweest zijn als de Binnenlandse Oorlog er niet was geweest?” Misschien zou ze samen met haar man op de veranda naar hun kleinkinderen kijken.

De geschiedenis heeft ons leven gemaakt. Het is tijd dat wij, de slachtoffers en nabestaanden van politiek geweld, geschiedenis gaan maken. Dat wij een toekomst kunnen creëren waarin onze onderlinge verwijten en schuldvragen gelegd worden op het bord van toekomstige historici. Een toekomst waarin de angst dat politieke conflicten escaleren naar geweld is verdwenen. Een toekomst waarin morele principes, eerlijkheid en menselijk boven politiek gewin staat. Die toekomst ligt misschien ver voor ons.

We hebben nog een lange weg te gaan, maar zoals de Chinese filosoof Confucius zei: “Elke reis van 1000 km, begint met de eerste stap.”

 

Ik dank u voor uw aandacht.