Toespraak Humphry Dag van Nationale Rouw en Verzoening 2017

President van de Republiek Suriname, de heer Desiré Delano Bouterse, Vice-President en overige leden van de regering, voorzitter van De Nationale Assemblee mevrouw Jennifer Simons, fractievoorzitters van de politieke partijen in DNA, hoogwaardigheidsbekleders, leden van het corps diplomatique, vertegenwoordigers van de Gramans, hoofdkapiteins, basja’s,slachtoffers en nabestaanden,dames en heren. Met gemengde gevoelens sta ik vanmiddag hier om u toe te spreken: met gevoelens van vreugde dat we deze dag hebben kunnen organiseren en gevoelens van verdriet dat we deze dag moeten organiseren.

Voor dat ik mijn speech vervolg nodig ik de overige leden van het Comité en de Commissie Slachtoffers en Nabestaanden van Politiek Geweld  uit om samen met mij het logo van het Comité te onthullen.

Pijn staat centraal

Op de Dag van Nationale Rouw staat pijn centraal. Sta mij toe om mijn pijn met u te delen.

In 1989 viel het Jungle Commando ons dorp Pokigron binnen. Mannen en vrouwen uit het dorp werden verzameld op een voetbalveld die omringd werd met gewapende JC-leden. Iedereen vreesde voor zijn of haar leven. Op een gegeven moment werd kapitein Samuel Lugard van ons dorp door JC gebracht naar een kerk en overgoten met benzine. Ze eisten van zijn vrouw dat zij haar eigen man in brand zou steken met een lucifer. Ze stond onder zware druk, maar heeft toch geweigerd. Dat tekent ook haar moed en kracht. Uiteindelijk bleef de kapitein in leven. Stelt u zich voor wat zij en de mensen die gedwongen werden om naar dit tafereel te kijken hebben meegemaakt. Wat voor angsten hebben zij meegemaakt. Met welke trauma’s leven zij nog steeds vandaag de dag.

Het dorp werd afgebrand. We moesten vluchten naar de stad en vonden ons toevlucht bij Bakanis waar we onder jarenlang onder erbarmelijke omstandigheden hebben moeten leven.

Ik weet dat als ik dit verhaal nu vertel het ongemak kan veroorzaken bij leden van het Jungle Commando die hier in het publiek zitten. Maar mijn doel is niet om te voorkomen dat er ongemak ontstaat. Het doel van de Dag van Nationale Rouw is niet politiek, maar menselijk. Op deze dag staat de pijn van slachtoffers en nabestaanden van politiek geweld centraal, ongeacht waar ze zich bevonden ten tijde van een gewelddadig conflict en wat hun standpunten waren. Straks zullen mensen aan het woord komen die hun verhaal vertellen die bij anderen in het publiek tot ongemak zullen leiden. Maar vandaag gaat het niet om de mensen die ongemak hebben. Vandaag gaat het om de mensen die pijn en verdriet hebben. Vandaag is de dag waarop ze dat openlijk mogen uiten zonder rekening te houden met hoe anderen dat zouden kunnen ervaren.

Iedereen, ook voormalige leden van het Jungle Commando en hun familie, hebben pijn. Dat geldt ook voor de nabestaanden van Moiwana, de Tucajans, 8 December, 25 februari 1980 en Guyaba. Weinig mensen kennen het verhaal van de 6 mannen van  Guyaba die langs de Tjongalangaweg zijn vermoord door het Nationaal Leger.

Hun verhalen moeten in alle openheid en eerlijkheid verteld kunnen worden vanuit hun hart zonder rekening te houden met de vraag wie zich daardoor ongemakkelijk voelt. Het is een manier van rouwverwerking, niet alleen door slachtoffers en nabestaanden, maar door een hele natie.

Onze slogan is: Als we samen kunnen feesten, moeten we ook samen kunnen rouwen. Zo kunnen we Suriname het beste samen opbouwen. Het is een manier om de rouwverwerking te wortelen in het collectieve geheugen van ons volk. Het is ook een manier om het leed van alle slachtoffers met elkaar te verbinden en daardoor meer geestelijke kracht te ontwikkelen om leed en trauma’s te kunnen verwerken.

Tenslotte, een belangrijk doel van de Dag van Nationale Rouw is om partijen die tegenover elkaar hebben gestaan, en nu nog staan, bij elkaar te brengen. We moeten niet langer in conflict leven met elkaar, maar met elkaar in dialoog treden om te komen tot oplossing van dit vraagstuk. Met elkaar in dialoog treden betekent dat er respect is voor elkaars meningen en standpunten. Er is sprake van een vrije gedachtenwisseling, gelijkwaardigheid, aanwezig zijn met een open geest en een open hart. In dialoog zijn is ‘samen een mooi kleed weven met een ingewikkeld patroon’. Alle partijen komen gelijkwaardig aan bod en hebben de kans om hun standpunt of gevoelens naar voren te brengen.

Het Comité is het afgelopen jaar rondgegaan bij groepen en personen die bereid en in staat waren om met elkaar in dialoog te treden om ‘samen een mooi kleed te weven ondanks het ingewikkeld ingewikkeld patroon’.

Ik kan u uit onze ervaringen van de afgelopen periode vertellen: het is niet gemakkelijk, niet voor ons, niet voor anderen. Ik zal u enkele voorbeelden geven. Neem de familie Sabajo op Bernards Dorp. Hun broers, Hugo en Roel, waren deel van de Tucajana’s. Ze zijn in West Suriname verdwenen. De familie vermoedt dat het Nationaal Leger dat heeft gedaan. Decennialang dragen ze een enorm verdriet met zich mee, zonder dat iemand zich aangesproken voelt om er iets mee te doen. Wij vinden dat dat niet kan. Ze vinden het verschrikkelijk om in één ruimte te zijn met de mensen die ze verantwoordelijk houden voor de dood van hun broers. Dat kun je niet kwalijk nemen. Maar we gaan wel samen een traject opzetten om de botten te zoeken van hun verdwenen broers.

Een ander voorbeeld. Vorig jaar heeft Stichting Moiwana het Comité uitgenodigd bij hun herdenking. Ik ben gevraagd om te spreken, hoewel we van mening verschillen over hoe om te gaan met rechtszaken en politiek geweld. We hebben dat heel erg gewaardeerd.

We zijn in gesprek met elkaar. Dat is al heel belangrijk. Zij stellen dat ze eerste een gesprek met de president willen hebben voordat ze andere stappen ondernemen in samenwerking met het Comité. President, hierbij doe ik een dringend beroep op u. Maakt u alstublieft tijd vrij in uw drukke agenda om met deze nabestaanden te praten. Er is geen excuus denkbaar om dit niet te doen. De Stichting Moiwana heeft ons gevraagd om daarin te bemiddelen en wij zijn ready.

We moeten accepteren dat niet iedereen ready zal is om een traject van dialoog en verzoening in te gaan. Niemand mag ze dat kwalijk nemen. Dat is deel van de realiteit waarin we leven.

We hebben besloten om niet alleen te kijken naar wat ons verdeelt, maar ook te kijken naar wat ons verbindt.

Vandaag hebben we mensen uitgenodigd om hier te spreken en in alle openheid en eerlijkheid te vertellen wat zij op hun hart hebben. Ik ben blij dat ze gehoor hebben gegeven aan deze uitnodiging. Wij hopen dat dit tot voorbeeld zal strekken voor anderen. Nabestaanden en slachtoffers kunnen met elkaar van mening verschillen over de aard en oorzaken van politiek geweld en hoe daarmee om te gaan. Maar ze voelen dezelfde pijn van gemis, verdriet en verlies. Politieke opvattingen kunnen ons van elkaar scheiden, maar de emoties van pijn en verdriet verbinden ons met elkaar. Dit is een moment waar we elkaar moeten vasthouden zoals in ons logo is uitgebeeld en in gesprek met elkaar moeten komen. Hopelijk leidt dat een keer tot verzoening.

De Dag van Nationale Rouw is geen vervanging voor andere herdenkingen van andere slachtoffers. Het staat iedereen vrij om de eigen doden te herdenken hoe en wanneer men dat wil. Het Comité zou graag ook aan die herdenkingen willen deelnemen als ze uitgenodigd zou worden, zoals de Stichting Moiwana dat vorig jaar heeft gedaan en wij nu hebben gedaan.

De Dag van Nationale Rouw en verzoening moet ons leren dat we er alles aan moeten doen om te voorkomen dat politieke conflicten uitmonden in geweld en de samenleving opnieuw in ellende dompelt. Als dat eenmaal gebeurt, dan moeten we alles eraan doen om weer vrede te bereiken. Dat is niet gemakkelijk. Dat weet ik uit eigen ervaring. Formele vrede betekent nog niet dat er vrede in je hart is.

Ik vertelde net over de ellende die we in Pokigron hebben meegemaakt in 1989. In 1991 werd er een vredesverdrag gesloten, die een einde maakte aan de Binnenlandse Oorlog.

Bij de aanlegplaats Atjoni stonden slachtoffers en daders elke dag tegen tegenover elkaar met haat in hun hart. En iedere dag vreesden we dat er maar iets kleins hoefde te gebeuren, of het geweld zou weer oplaaien.

In 1995 hebben we vanuit Pokigron het initiatief genomen om een dag van verzoening te organiseren. De mensen die we verantwoordelijk hielden voor ons ellende, hebben we uitgenodigd om bij ons in het dorp te komen om samen te zijn, aan sport te doen, samen te eten, met elkaar in gesprek te raken en de haat uit onze harten te vervangen door rust en vrede. Het heeft gewerkt. Niet iedereen zal volledig bevrijd zijn van die woede en wraak voor wat ons is aangedaan, maar voor een groot deel heeft het geleid tot rust en vrede.

Voor mij als Christen is het geloof in de Heer een belangrijke inspiratiebron. Wij als gelovigen moeten in staat zijn om diegenen die ons iets aangedaan hebben te kunnen vergeven.

Soms wanhopen wij, maar ons geloof leert ons dat God ons soms op beproeving stelt, maar ons uiteindelijk altijd zal helpen.

Toen we uit Pokigron waren verdreven en in Bakanis aan ons lot waren overgelaten hebben we overal aangeklopt om onze stem te laten horen en ons verhaal te kunnen vertellen zodat ons leed erkend kon worden. We hebben om steun gevraagd aan organisaties in Suriname die erkend werden door Nederland en internationale instanties. We spraken tot dovemansoren en dat doet pijn.

In 2015 is Sandew Hira begonnen aan een traject van dialoog en waarheidsvinding. Hij kon toen niet inschatten waar dit naar toe zou leiden. Dew, het is niet toevallig maar God heeft je sinds de grondlegging der wereld bestemd om dit traject te beginnen.

Langzaam maar zeker zien we dat erkenning plaatsvindt van het leed van alle slachtoffers van politiek geweld. De formele erkenning moet plaatsvinden door de Wet Erkenning Slachtoffers Politiek geweld die we aan DNA hebben voorgelegd. Maar informele erkenning zagen we in de preek van het Bisdom uitgesproken door Pater Esteban Kross op 8 februari 2017. Ik citeer:

“Het zou geen recht doen aan de realiteit van personen die uit dit leven tenonder gingen in geweld en vijandigheid, die van 8 december 1982, maar ook die van vele andere momenten van geweldpleging in die periode. Het zou ook geen recht doen aan het stille lijden van vele Surinamers, die slachtoffers werden van geweld in dorpen van ons binnenland, maar het zou ook geen recht doen aan het stille lijden van Surinamers die zonen, broers of vaders in het leger hadden en die door het geweld innerlijk zijn verminkt of die nooit meer levend terugkwamen. Het zou geen recht doen aan de vertwijfeling van vele militairen en leden van commando’s en andere gewapende groepen, of hetgeen zij moesten doen of uit zichzelf deden uiteindelijk wel echt te rechtvaardigen is in Gods ogen. Maar ook dit: het is geen goed antwoord op het geestelijk spiritueel lot van alle slachtoffers én alle daders, want het kwaad dat een mens zaait is niet zomaar weg omdat je er niet meer over praat of het doodzwijgt. Het blijft een spirituele realiteit die wij onder ogen moeten durven zien. Het kan alleen tot een goed einde komen langs de weg van verzoening.” Einde citaat

We kijken hoopvol uit naar de uitwerking hiervan door het Bisdom.

Een belangrijk deel van ons werk in de toekomst zal zijn het opsporen van vermiste mensen. Deze zijn opgenomen in de lijst van slachtoffers, maar ze zijn formeel niet dood verklaard. Dat willen we niet. Die bevoegdheid hebben we niet. De staat heeft de bevoegdheid om een vermiste persoon na vijf jaar dood te verklaren.

Geliefden, broeders en zusters, bij het gedenken van slachtoffers van politiek geweld beseffen we dat ons volk ook slachtoffer is geweest van politiek geweld vóór 1975, en om precies te zijn met de start van het kolonialisme. Op een dag van nationale rouw en verzoening is het dan ook gepast dat we onze voorouders gedenken die gestorven zijn in de strijd tegen onderdrukking en voor vrijheid, van Kaikusi, Priary en Warray tot en met Baron, Boni en Joli Coeur en Ramdjanee, Jumpa Jagaroo en Tetary.

Ik wil eindigen door vanuit het Comité iedereen te bedanken die een bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van deze dag, in het bijzonder de Commissie die door minister Noersalim van Binnenlandse Zaken namens de regering is ingesteld. Ik noem hun namen in alfabetische volgorde: Moejinga Aboikoni-Linga, Samaidy Akima, Henk Herrenberg, Rutu Paulus, Humphrey Perk en Kenneth Slooten. Hartelijk dank voor al het werk dat jullie hebben verzet.

Dames en heren, dank u wel voor uw aandacht en graag nodig ik u uit om er volgend jaar weer bij te zijn.